Ooit al eens even stil gestaan bij onze straatverlichting? Waarschijnlijk in je kindertijd, terwijl je je afvroeg: “hoe komt het dat dit licht wanneer het donker is?”. Je ouders zeiden dan vluchtig, dat dit gebeurt vanuit een centrale, maar dit antwoord bleek niet voldoende. Was het het werk van kabouters? Of waren deze statige fakkels wezende levens? Eindeloos gepieker.
Nog steeds bewonder ik ze, ze zijn er in alle vormen en kleuren – en vooral de kleur van het licht dan – de ene staat wat scheef als gevolg van een aanrijding, de andere is een trekpleister voor reuen. Allemaal verschillend en toch één geheel. Sommige van hen hangen aan huizen, andere flikkeren en weten dat het ‘vervangingsmoment’ is aangebroken, dan komt een technicus aan hun meest intieme delen prutsen om dan hem te dienen met een nieuwe lamp.
Ze brengen ons niet alleen licht, ze zorgen voor de lichtpolutie en zijn stof voor meerdere debatten en bovenal ze geven ons een gevoel van veiligheid. Beschermd met hun folie lopen we gerust door te straten.
Ik weet het nu wel zeker als reïncarnatie bestaat, is terugkomen als straatverlichting één van de opties op mijn lijstje. Niemand die er om maalt dat je even te laat begint te werken (niemand die zelfs weet om hoe laat je start), hele dagen kijken naar gehaaste mensen en jij die daar poseert: statig, elegant en voor vele jaren.
Kijk samen met mij mee naar het landschap van gele, oranje en rode gloeden, die ons al eeuwen doorheen de duisternis loodsen.